
Drie maanden lang duurde de specifieke voorbereiding voor de Marathon Rotterdam. De voorbereiding was zwaar. Niet alleen had trainer Piet pittige trainingen bedacht; alle lange duurlopen in marathontempo of sneller, maar het was vooral ook koud. De meeste trainingen werden zo rond het vriespunt afgewerkt, waarbij de stevige wind voor Syberische gevoelstemperaturen zorgde.
Maar alles wees erop dat klaar was om in Rotterdam onder de 3:15 uur te lopen: de 35 km precies op marathon tempo, de 30 km in 2:15 uur en de yasso's een stuk sneller dan noodzakelijk; ik was fit.
Er is maar één ding waar ik geen invloed op had en dat was het weer. En in hun ondoorgrondelijke wegen besloten de weergoden dat zondag 14 april 2013 wel een goede dag was om het 22° C te laten worden.
In het startvak valt de temperatuur nog reuze mee. Het had 's ochtends nog geregend en was nu nog zwaar bewolkt. Ik had allang besloten gewoon een poging te gaan wagen. Fuck it, ik heb er keihard voor getraind, het wordt vandaag de dood of de gladiolen! "You never walk alone", pang, en we zijn onderweg. Het is even zoeken naar het tempo maar dat wordt na 4 km gevonden.

In het startvak stond ik voor de 3:15 uur pacer en ben stomverbassd als hij (en zo'n 40 volgelingen) mij na 13 km passeren. Ik had net een 4:31 min/km genoteerd, waar volgens schema 4:37 min/km nodig was. Volgzaam als ik ben besloot ik er maar achteraan te gaan. Kilometer 14 ging in 4:30, km 15 in 4:31. Ik zag een mooie grote boom, en de pacer die in rap tempo zijn volgers aan het verliezen was, raaktte mij ook kwijt: plaspauze.
De volgende kilometers probeerde ik toch langzaam weer dichter bij de pacer te komen. Maar ondanks dat ik in drie kilometer tijd 50 secondes op het schema won, kwam ik maar langzaam dichterbij. De zon was inmiddels doorgekomen, het werd warm. De natte straten in combinatie met de zon zorgden er samen voor dat het benauwd werd. De strijd tegen de elementen ging beginnen.
Ik bleef goed op schema lopen, maar de hartslag ging omhoog. Benen voelden ook al te vroeg te vermoeid. Ergens hier heb ik het volgende bedacht: ik blijf zo lang mogelijk het juiste tempo aanhouden. Als dit niet meer lukt ga ik 10 sec./km langzamer en loop in dat tempo uit. In als zijn simpelheid klinkt dit logisch, zeker na een kilometer of 22 lopen. Maar zo werkt het in de marathon niet.

Iedere drankpost betekende inmiddels al: één beker water helemaal over het hoofd, één beker water half over hoofd/half opdrinken en een beker sportdrank opdrinken. De temperatuur was nu de grootste vijand. Bij 32 kilometer krijg ik van collega Mark een flesje water, ook deze gaat half over het hoofd en half de slokdarm in. Ik loop nu nog op schema, nog even.
Vlak voor de 34 kilometer schiet de kramp bijna in mijn kuiten. Strekken, weer lopen, nog een keer strekken, masseren en weer lopen. Ik kan verder, maar het tempo is eruit. Ik loop langzaam genoeg om net geen kramp te krijgen. Na kilometer 36 (in 6:40 min) kan ik langzaam weer steeds wat sneller: 5:49, 5:19, 5:12, 4:58. Intussen heb ik al meerdere lopers langs de kant van de weg zien liggen. Ook haal ik met mijn bejaardentempo nog een aantal wandelende deelnemers in.
Vreemd genoeg kunnen mijn kuiten het wel aan om in de laatste 500 meter nog een eindsprintje te maken. Dat oogt tenminste nog een beetje op de Coolsingel.
Dan de eindtijd: 3:23:43 uur bruto, 3:22:36 uur netto. Een netto PR met exact 30 seconden. Gezien de omstandigheden een mooie tijd, maar ik kwam voor een sub 3:15 uur. Ik weet het, maar ik baal. Nu twee dagen later heb ik er vrede mee.
Nu twee dagen later heb ik er vrede mee, zou de laatste zin moeten zijn. Maar nu twee dagen later is er veel veranderd. Zondagavond had ik de titel voor deze blog bedacht: Slachtveld Rotterdam overleefd. Maar sinds gisteren is dat helaas opeens heel ongepast geworden.
